Kennisnet Leerlingzorg Archief
Begeleiding van leerlingen met PDD-nos in het primair en voortgezet onderwijs - Carla Visser
Drs. Carla Visser is onderwijskundige in Groenendaal, behandelingsinternaat voor kinderen met ADHD en/of PDD-nos. Afdeling van Jeugdzorg Groningen. Voor Kennisnet Leerlingzorg schreef zij onderstaand artikel.
Inleiding
PDD-nos is een afkorting van Pervasive Developmental Disorder, not otherwise specified. Men spreekt ook van Autisme Spectrum Stoornis (ASS). Het gaat hier om een stoornis die diep kan doordringen in alle gebieden van de ontwikkeling en speelt van jongs af aan een rol. Binnenkomende informatie wordt op een andere manier verwerkt en betekenis gegeven, waardoor bij deze leerlingen snel verwarring, onrust en angst kan ontstaan.
Leerlingen met PDD-nos hebben veelal een meer dan gemiddelde en individueel gerichte begeleiding nodig. Dit geldt voor zowel de pedagogische alsook de didactische begeleiding. Het is hierbij van belang dat leerkrachten, c.q. leerlingbegeleiders weet hebben van de kenmerken van de kernproblematiek van deze neuropsychiatrische stoornis, zodat ze genoemde leerlingen kunnen begrijpen en hen vervolgens op de juiste manier kunnen ondersteunen. Inzicht in de eigen denk- en belevingswereld van deze leerlingen kan hierbij helpen. Problemen doen zich voor op het gebied van informatieverwerking, sociale interactie, taal en communicatie, denkstoornissen en motoriek. We zullen de verschillende gebieden in het kort de revue laten passeren; we benoemen wat dit kan betekenen voor het leerproces en de leerwerkhouding, waarna adviezen voor ondersteuning volgen.
Als algemene voorwaarde geldt dat leerlingen met PDD-nos een veilige en voorspelbare omgeving nodig hebben met zo weinig mogelijk onbegrijpelijke veranderingen. Ze zijn gebaat bij een rustige en overzichtelijke klas met een positieve atmosfeer. Een neutrale houding van de leerkracht is van belang.
Informatieverwerking
Het basisprobleem van leerlingen met PDD-nos is een informatieverwerkingsstoornis. De informatie die binnenkomt (dingen die ze zien of horen), integreert niet; ze hebben moeite met de samenhang tussen de verschillende details. Alle details staan los van elkaar en hebben elk hun eigen betekenis. Het is vaak moeilijk de details met elkaar in verband te brengen en betekenis te geven. Daardoor kost het hen moeite leerstofgehelen op te bouwen. Die samenhang moet expliciet geleerd worden. Ook hebben ze moeite met het maken van onderscheid tussen belangrijke en onbelangrijke details, waardoor het moeilijk is om hoofdlijnen te selecteren; wat is relevant en wat niet. Feitelijke informatie kunnen ze goed van buiten leren en goed onthouden.
Advies:
Het is belangrijk leerstof gestructureerd aan te bieden: nieuwe of omvangrijke taken worden opgesplitst in kleinere eenheden, instructies moeten niet te lang zijn (de leerling onthoudt alleen de laatst gegeven instructie en niet de voorgaande). Het verdient de voorkeur leerstof te visualiseren in schema’s, tabellen en diagrammen, waarbij verheldering plaatsvindt ten aanzien van de samenhang en benadrukt wordt wat belangrijk is door woorden te onderstrepen, wel of niet in kleur. Visuele informatie blijft een bepaalde tijd aanwezig, waardoor de leerling meer tijd heeft om de informatie te verwerken en de mogelijkheid heeft om nog eens opnieuw te kijken; dit vergroot de mogelijkheid de betekenis te begrijpen. De computer kan hierbij een belangrijke rol spelen. Een consistente lesopbouw zorgt ervoor dat de leerling weet wat hij kan verwachten; dit vergroot zijn concentratie (vermindert de angst voor onbekende activiteiten).
Sociale interactie
Relaties met leeftijdgenoten en volwassenen zijn moeilijk, omdat leerlingen met PDD-nos de complexe regels van sociale interactie moeilijk begrijpen. Er is gebrek aan wederkerigheid; het begrijpen van en zich verplaatsen in het denken van anderen vormt voor hen een belemmering. Er is meer sprake van eenrichtingsverkeer, de betrokkenheid op de ander is minder aanwezig. De leerling begrijpt niet dat een ander niet net zo denkt en voelt als hij. Hij begrijpt dan ook niet wat er van hem verwacht wordt. De interactie kan ook verkeerd geïnterpreteerd worden.
Advies:
Samen met andere leerlingen opdrachten uitvoeren is voor deze leerlingen soms bedreigend. Ze moeten de mogelijkheid krijgen om alleen aan werkstukken te werken. De leerling is minder geneigd een goede prestatie te leveren ter wille van de leerkracht, ze voeren de opdracht uit omdat het moet. Extra stimulering en motivatie van buiten af is nodig om de gewenste resultaten geleverd te krijgen
Taal en communicatie
Om te kunnen leren moet je kunnen communiceren, sociale regels kunnen begrijpen en de juiste betekenis kunnen toekennen aan wat er gezegd of van je gevraagd wordt. Doordat deze leerlingen taal vaak letterlijk nemen, hebben ze moeite met dubbele boodschappen, grapjes, spreekwoorden en uitdrukkingen. De betekenis van een woord is niet altijd eenduidig en kan verwarrend werken als ook de gebruikte intonatie niet gevat wordt. Hun taalgebruik doet vaak formeel en ouwelijk aan. Ze kunnen geen goede inschatting maken van wat je wel of niet kunt zeggen. Het stemgeluid kan monotoon klinken.
Advies:
De houding van de leerkracht moet erop gericht zijn dat de leerling met PDD-nos moeite heeft met het juist begrijpen van gesproken taal. Geduld en het kind de tijd geven om te reageren is belangrijk. Stemverheffing is uit den boze. Het hanteren van korte zinnen waarin concreet taalgebruik voorop staat vergemakkelijkt het begrip, het ongevraagd geven van verduidelijking evenzo. Formeel en ouwelijk taalgebruik, tezamen met onderwerpen uit hun favoriete kennisgebied, doet gemakkelijk een algemeen hoog kennisniveau veronderstellen. Dit blijkt vaak slechts te gelden voor het favoriete kennisgebied. Groepsinstructie kan tot problemen leiden. Soms is een persoonlijke opmerking voldoende, maar individuele instructie of het op gang helpen bij verwerking van leerstof kan nodig zijn.
Denkstoornissen
Leerlingen met PDD-nos hebben moeite met het verbeeldend denken, ze kunnen zich slecht een voorstelling maken van iets dat er niet letterlijk is. Dit uit zich in een beperkte fantasie bij tekenen of handenarbeid; hun spelrepertoire is nog al eens beperkt. Rigiditeit in denken valt op; ze zijn geneigd vast te houden aan een eigen oplossingsmethode en hebben moeite met het loslaten van eigen ideeën. Voor hen bestaan er onvoldoende grenzen tussen fantasie en werkelijkheid. Ze vluchten in een fantasiewereld omdat ze de echte wereld niet begrijpen of omdat ze zich niet begrepen voelen. Mede daardoor kunnen deze leerlingen onlogische angsten hebben. Vanwege het gefragmenteerd denken is generaliseren een moeilijke stap.
Advies:
Het verdient de voorkeur fantasie te begrenzen en hen terug te halen in de werkelijkheid. Veranderingen in lesprogramma, vervanging in verband met ziekte moeten goed en op tijd worden voorbereid en uitgelegd om problemen te voorkomen. Verkeerde leerstrategieën, oplossingsmethoden, zijn moeilijk om te buigen. Nieuw aangeleerde strategieën worden niet automatisch toegepast in nieuwe of andere leerstofgebieden. Dit vergt extra begeleiding
Motoriek
Zowel grove als fijne motoriek kunnen afwijken. Een krampachtige fijne motoriek leidt vaak tot een trager schrijftempo. Slechte motorische coördinatie en beperkt sociaal inzicht (eigen acties coördineren met die van anderen in het team) maken het deelnemen aan een teamsport moeilijk bij gymnastiek.
Advies:
In de klas moet, vooral bij tijdgebonden taken, rekening gehouden worden met een trager schrijftempo. Soms is het mogelijk schrijftaken te beperken. Misschien is het nodig dat leerlingen met PDD-nos meer tijd krijgen om een proefwerk of examen af te maken. Bij gymnastiek zou de leerkracht kunnen vermijden dat de leerling als laatste gekozen wordt bij activiteiten. Eveneens moeten frustraties en plagerijen van klasgenoten voorkomen worden.
Slotopmerkingen
Als algemene opmerking geldt dat overleg met ouders heel belangrijk is. Zij zijn meer dan wie ook bekend met het gedrag van hun zoon of dochter. Bij leerkrachten kan deze kennis het inzicht en begrip doen vergroten.
Om een zo goed mogelijke cognitieve ontwikkeling tot stand te brengen, is het essentieel dat de leerling zich veilig voelt in de klas. Hoe meer in de voorwaardensfeer gerealiseerd kan worden ten aanzien van de structuur en dus voorspelbaarheid van het lesverloop, overzichtelijke leerstofeenheden en een begrijpende en ondersteunende houding van de leerkracht die veelvuldig gebruik maakt van positieve bekrachtiging, des te groter is de kans dat de leerling met PDD-nos zijn cognitieve mogelijkheden optimaal benut.
Geraadpleegde literatuur
Attwood, T. (2001). Het syndroom van Asperger. Swets en Zeitlinger. Doorn, E.C. van (1996). Onderwijs aan kinderen met aan autisme verwante stoornissen. Kind en Adolescent. Hamelink, B. (2000). Om de kwaliteit. Voorwaarden om leerlingen met autisme op te vangen in het onderwijs. Engagement, oktober special.
Meer informatie over autisme/PDD-nos
|
|