Kennisnet Leerlingzorg Archief
Onderwijs aan (hoog)begaafde leerlingen in het primair onderwijs (1)
Auteur: drs. Kars Gerards Voor het laatst gewijzigd op 8 januari 2008
Gelukkig is het steeds meer vanzelfsprekend, dat begaafde leerlingen aangepast onderwijs nodig hebben. Leerkrachten zijn er meer en meer van doordrongen, dat je begaafde leerlingen ernstig in hun ontwikkeling kunt belemmeren als zij geen uitdagingen krijgen aangeboden en leerwerk moeten maken beneden hun intellectueel niveau. Deze maand gaat Kars Gerards in op de begripsomschrijving, populatiegegevens, signalering, diagnostiek, sociale en emotionele ontwikkeling en onderpresteerders.
Lees ook deel 2, waarin hij dieper in gaat op onderwijsleermiddelen en onderwijskundige maatregelen.
Begripsomschrijving hoogbegaafdheid
Hoogbegaafde kinderen beschikken over een superieure intelligentie. Ze moeten een intelligentieniveau van tenminste een IQ van 135 of meer hebben. Daarnaast beschikken ze meestal over een hoog niveau van creatief denken; ze zijn in staat tot het vinden van oplossingen bij problemen en vraagstukken, die niet routinematig zijn. Velen onder hen zijn vaak juist erg gemotiveerd om een andere oplossing te bedenken dan gebruikelijk is. Leerkracht worden daardoor wel eens in verlegenheid gebracht. Voor andere kinderen is het horen van weer een andere oplossing soms verwarrend.
Naast die hoogintellectuele eigenschappen is het noodzakelijk, dat de condities gunstig zijn, waaronder hun capaciteiten ook resulteren in hoge leerprestaties en een zeer succesvolle schoolloopbaan. Hierbij gaat het om een goede werkhouding, een goede motivatie en een sterk concentratievermogen. Daarnaast is het vanzelfsprekend belangrijk, dat zo'n begaafde leerling goed in zijn of haar vel zit.
In het onderwijs vallen deze leerlingen op met de volgende eigenschappen:
- verwerken in korte tijd vaak moeilijke leerstof
- hebben minder behoefte aan instructie
- kunnen nieuwe dingen zich snel eigen maken
- presteren binnen het leerlingvolgsysteem royaal boven het niveau van hun groeps- cq. leeftijdgenoten.
Tegenwoordig onderscheiden we meerdere vormen van intelligentie ( de meervoudige intelligentie opvatting) en dus kan de hoogbegaafdheid zich ook op andere terreinen van de ontwikkeling voordoen dan alleen op die van het intellectuele vlak.
Populatiegegevens
Op grond van het intelligentiecriterium kunnen we stellen, dat ongeveer 2% van de schoolbevolking hoogbegaafd is. Het is dus reëel om te verwachten, dat op een school van 200 leerlingen er gemiddeld zo'n 4 hoogbegaafde kinderen zijn.
Naast de categorie hoogbegaafde leerlingen is er nog een groep hoogpresterende kinderen te onderscheiden; dit zijn de behoorlijk intelligente kinderen, die een gunstige werkhouding laten zien. Meestal hebben zij wel duidelijk instructie nodig, willen graag laten zien, dat ze iets goed kunnen. Als beperking kenmerken zij zich over het algemeen door een lager niveau van creatief denken.
Denk nu niet, dat het in de begeleiding van meerbegaafde kinderen alleen om die 2% van de totale populatie gaat. In de praktijk komt het erop neer, dat ongeveer 25% van de kinderen meer aan kan dan de gemiddelde leerling. Ongeveer 50% zal de aangeboden leerstof zonder veel problemen in een normaal tempo kunnen verwerken. Ongeveer 25% van de leerlingen heeft extra begeleiding nodig, omdat aangeboden leerstof vaak te moeilijk is en er meer tijd nodig is voor de verwerking.
Het zal duidelijk zijn, hoe verder een leerling qua intellectuele capaciteiten verwijderd is van het gemiddelde in de klassengroep, hoe intensiever de aanpassing zal moeten zijn, zowel naar de onderkant als naar de bovenkant. In de praktijk zal het er, gelet op de beperkte differentiatiemogelijkheden, meestal op neerkomen dat er een aanvullend lesprogramma aangeboden moet worden voor tenminste 10% aan de onder- en bovenkant van de spreiding in de groep.
Signalerings en diagnostiek
Aangezien hoogbegaafde kinderen wel degelijk problemen kunnen ondervinden op school, is het belangrijk om ze zo vroeg mogelijk op het spoor te komen. De zich gaaf ontwikkelende, hoog presterende, hoogbegaafde leerling valt voldoende duidelijk op.
Vrijwel altijd zal de signalering plaatsvinden vanuit de informatie in het leerlingvolgsysteem. Deze kinderen scoren bijv. op de CITO-toetsen steeds op een A-niveau. De leerlingen die over een langere periode op A-niveau scoren vormen ongeveer die 10% van de hoogst scorende leerlingen in de groep. Bij zo'n leerling is het gewenst zo snel mogelijk na die constatering door te toetsen tot er een hoog C-niveau wordt gehaald. Dat niveau is dan ongeveer het instapniveau voor het aanbod van onderwijs. Soms zie je, dat zo'n leerling wel 3 leerjaren boven het gemiddelde beheersingsniveau zit van de klassengroep.
Bij de jongste kleuters kan vaak nog niet gemakkelijk de ontwikkelingsvoorsprong worden vastgesteld. In dit geval speelt de informatie van de ouders en de signalering van algemene ontwikkelingskenmerken een belangrijke rol. Soms valt die ontwikkelingsvoorsprong op doordat de kleuter zich de leesvaardigheid al aardig heeft eigen gemaakt en al een opvallend hoog niveau van rekenvaardigheid laat zien. Meestal is er sprake van een opvallend hoog taal/denkniveau.
Diagnostiek in de vorm van intelligentieonderzoek is lang niet altijd nodig. Als de signalering voldoende betrouwbaar is en de informatie van school en ouders op eenzelfde lijn zitten dan kan op grond van die informatie tot het aanbod van aangepast onderwijs worden overgegaan. Bij sterke twijfel, als de beoordeling tussen leerkracht en ouders sterk verschilt en als er sprake lijkt van onderpresteren, is verdere diagnostiek door externe deskundigen gewenst.
Onderpresteerders
Wanneer een begaafd kind langdurig onder zijn niveau wordt aangesproken, kan dit tot gevolg hebben, dat het kind zijn motivatie om te leren verliest en zich niet langer inspant bij het uitvoeren van taken. Onderpresteren is het geval als er een groot verschil is ontstaan tussen de prestaties, die het kind op school laat zien en het feitelijk niveau van zijn intellectuele capaciteiten.
Zo kan het gebeuren, dat een hoogbegaafde leerling zijn werk niet op tijd afmaakt, zich niet kan concentreren, een slechte motivatie laat zien, uit verveling zich met heel andere zaken bezig houdt en soms opvallend hinderlijk gedrag vertoont in de klas of soms juist onopvallend zich onttrekt aan de communicatie tussen leerlingen binnen de lessituatie. Het is begrijpelijk, dat een leerling met deze kenmerken gemakkelijk door de leerkracht als een minder intelligente, matig presterende leerling wordt beschouwd. De leerkracht moet oog hebben voor onverwachte goede prestaties, die zulke kinderen toch leveren, bijv.door kennis van leerstof die nog niet behandeld is, zo'n kind pas opveert en gemotiveerd is bij moeilijke leerstof en thuis vaak op een heel andere manier met informatieverwerking bezig is dan op school.
Deze categorie onderpresteerders is de meest risicovolle groep in het onderwijs. Leerkrachten zouden goed geschoold moeten worden in het signaleren van deze onderpresterende begaafde leerlingen. De informatie vanuit de thuissituatie speelt daarbij een essentiële rol.
Veel hoogbegaafde kinderen staan bij problemen in de acceptatie van de groep voor de keuze; pas ik mij aan en houd ik mijn talent verborgen voor de andere kinderen of zet ik me af tegen mijn omgeving en probeer ik door compensatie toch ook intellectueel aan mijn trekken te komen. Bij de eerste keuze doet het kind zijn eigen identiteit geweld aan en dat wreekt zich meestal snel in emotionele problemen. Bij de tweede keuze hebben we te maken met een leerling, die best wel op bepaalde momenten zijn intellectueel potentieel laat zien, maar ook als een lastige leerling wordt ervaren door de leerkracht en de andere kinderen in de groep.
Als hoogbegaafde kinderen niet zo voorspelbaar contact met leeftijdgenoten hebben hoeft dat niet altijd als een sociaal integratieprobleem te worden opgevat. Sommige hoogbegaafde leerlingen hebben zich uitstekend zelf leren vermaken en vinden dat ze vaak in het samenwerken met andere kinderen belemmerd worden in hun eigen tempo en denkniveau. Vaak zie je, dat ze dan wel meer zich aangetrokken voelen tot oudere kinderen, die hetzelfde denkniveau hebben.
Hoogbegaafde kinderen willen soms alles foutloos en perfect doen; hierdoor kan zich faalangst ontwikkelen. In enkele gevallen zien we, dat volwassenen hoge eisen stellen aan hoogbegaafde kinderen en ze voortdurend onder druk zetten. Hoogbegaafde kinderen, die niet goed begrepen worden en niet tijdig als zodanig onderkend worden, voelen zich onzeker, piekeren veel over hun eigen situatie en kunnen zelfs ernstige persoonlijkheidsproblemen ontwikkelen waarbij eventueel kinderpsychiatrische hulp noodzakelijk is.
Over de auteur
Drs. Kars Gerards is GZ-psycholoog/orthopedagoog, gespecialiseerd in hoogbegaafdheid. Sinds enige tijd is hij free lance als deskundige hoogbegaafdheid landelijk werkzaam voor primair en voortgezet onderwijs en jong volwassenen. In 2001 heeft hij SIBVO samengesteld, een begeleidingsinstrument voor Signalering en Identificatie van Begaafde leerlingen in het Voortgezet Onderwijs waarin ook vragenlijsten zijn opgenomen. In 2002 heeft hij daar de SIBBO (Signalering en Identificatie Begaafde leerlingen Basis-Onderwijs) vragenlijsten voor het primair onderwijs aan toegevoegd.
Lees verder
Hoogbegaafdheid deel 2
Meer informatie
Download dit artikel
[MS-Word
]
Stel uw vraag over hoogbegaafdheid
Veel gestelde vragen over hoogbegaafdheid
Meer informatie over hoogbegaafdheid
|
|