Kennisnet Leerlingzorg Archief
WSNS-risicoleerlingen kunnen beter op reguliere basisscholen blijven
Risicoleerlingen, die tot de doelgroep van het 'Weer Samen Naar School'-beleid behoren, hebben door verschillen tussen scholen, leerkrachten en klassen een ongelijke kans op doorverwijzing naar speciale basisscholen. Risicoleerlingen die na een verwijzingsprocedure onderwijs volgen op speciale basisscholen presteren slechter in taal en rekenen dan vergelijkbare risicoleerlingen op reguliere basisscholen. Risicoleerlingen zijn dus beter af met een integratie in de reguliere onderwijspraktijk.
Ongelijke kans op doorverwijzing
Verschillen tussen scholen, leerkrachten en klassen dragen er aan bij dat WSNS-risicoleerlingen, soms wel en soms niet uit de onderbouw van reguliere basisscholen naar scholen voor speciaal basisonderwijs (sbo) worden verwezen. Bij veertig procent van de WSNS-risicoleerlingen, die tussen de schooljaren 1994-95 en 1996-97 uit de onderbouwgroepen 2 en 4 van scholen voor regulier basisonderwijs (bo) zijn verwezen, bestaan vergelijkbare WSNS-risicoleerlingen die daarentegen gehandhaafd zijn. Deze 'dubbelgangers' zijn gelijk qua sekse en leeftijd. Daarnaast hebben ze vergelijkbare taal- en rekenprestaties. Bovendien geven leerkrachten hen soortgelijke beoordelingen op sociaal gedrag, werkhouding en zelfvertrouwen.
WSNS-risicoleerlingen die worden doorverwezen, komen van grotere basisscholen en van scholen met minder onderwijsgevende ervaring in het team. Op kleinere overzichtelijke basisscholen komen ze waarschijnlijk beter tot hun recht. De leerkrachten van gehandhaafde WSNS-risicoleerlingen geven daarnaast een hoger niveau van adaptief onderwijs dan de leerkrachten die vergelijkbare risicoleerlingen hebben aangemeld voor verwijzing. Voorts komen de verwezen WSNS-risicoleerlingen uit klassen die gemiddeld beschouwd hogere onderwijsprestaties leveren dan de klassen waaruit de soortgelijke gehandhaafde risicoleerlingen afkomstig zijn. In beter presterende klassen vangen de achterblijvende resultaten meer licht, leerlingen worden daardoor eerder als 'risicoleerlingen' gezien.
Verschillende schoolloopbaanontwikkelingen
Voor ogenschijnlijk identieke WSNS-risicoleerlingen is de kans op handhaving of verwijzing dus niet even groot. Gevolg is dat er tussen de scholen voor bo en sbo een grote overlap in risicoleerlingpopulaties ontstaat. Bij 55% van de WSNS-risicoleerlingen uit groep 4 van het sbo treffen we in het schooljaar 1994-95 een 'dubbelganger' aan in groep 4 van het bo.
De schoolloopbaan door het bo pakt voor de WSNS-risicoleerlingen gunstiger uit. In de groepen 6 (1996-97) en 8 (1998-99) behalen deze risicoleerlingen hogere taal- en rekenprestaties dan vergelijkbare risicoleerlingen die het sbo volgen. De ontwikkeling van de non-verbale intelligentie en het gedrag van soortgelijke WSNS-risicoleerlingen in het bo en sbo verloopt niet verschillend.
Verklaringen
Een verklaring hiervoor is dat de leerkrachten in het bo prestatiegerichter werken dan hun collega-leerkrachten in het sbo. Zij streven in meerdere mate minimumdoelen na in de basisvakken, nemen frequenter controletoetsen af, hechten een groter belang aan cognitieve prestaties en spenderen meer onderwijstijd aan het leren in de basisvakken. Dit gestructureerde onderwijsgedrag doet de taal- en rekenprestaties van risicoleerlingen in het bo sterker stijgen. We denken verder dat WSNS-risicoleerlingen in het bo onderdeel zijn van een uitdagender leef- en leergemeenschap. In reguliere klassen hebben zij ruimere mogelijkheden tot talrijke talige en sociale interacties met andersoortige leerlingen. Risicoleerlingen trekken zich op aan hoger functionerende kinderen. De multidisciplinaire zorg, kleinere klassen en leraren met een speciale onderwijsakte in het sbo compenseren niet voor het profijtelijke wederzijdse leren van leerlingen in het bo.
WSNS-risicoleerlingen zijn met een handhaving in het bo beter af dan met een doorverwijzing naar het sbo. Samenwerkingsverbanden zullen daarom alles uit de kast moeten halen om deze risicoleerlingen binnen reguliere basisscholen te behouden met ondersteunende onderwijszorg.
Dit onderzoek is uitgevoerd aan de Universiteit van Amsterdam, afdeling Pedagogische en Onderwijskundige Wetenschappen. Dr. IJsbrand Jepma is nu onderwijsonderzoeker/-adviseur bij
Eduquality/Schepers Van Seventer
IJJepma@Eduquality.com
Literatuur: IJ. Jepma (2003). De schoolloopbaan van risicoleerlingen in het primair onderwijs. Academisch proefschrift. Amsterdam: Thela Thesis.
|
|