Kennisnet Leerlingzorg Archief
Past de leerkracht in Passend onderwijs;
Uitdagingen voor IB’er en AB’er? Auteur: Sandra Koot, voorzitter LBib/LBab Voor het laatst gewijzigd op 31 maart 2009
Download dit artikel
In de reguliere basisscholen is de ‘normale’ leerling de norm geworden en daardoor bepalend voor de inzet van de leerkracht. Onze leerkrachten werden op de PABO opgeleid en werkten jaren met deze ‘verwijstraditie’ in het onderwijs. Past de leerkracht in Passend onderwijs; uitdagingen voor IB’er en AB’er? Een artikel van Sandra Koot, voorzitter van de LBib en LBab.
Nederland kent vele verschillende vormen van speciaal onderwijs. Leerlingen met speciale onderwijszorgbehoeften werden in Nederland ‘op maat bediend’ binnen het speciale onderwijs en daarmee buiten het reguliere onderwijs gehouden. Dat heeft ertoe geleid dat kinderen met speciale onderwijsbehoeften niet de zorg van de leerkracht in het reguliere onderwijs was, maar van de speciale leerkrachten in het speciaal onderwijs. Daarmee zijn deze leerlingen ook speciaal geworden en genieten ze onderwijs apart van hun leeftijdsgenootjes uit hun sociale omgeving.
Terugkijkend In 1994 tekende onze minister van Onderwijs, Jo Ritzen, het ‘Salamanca Statement’. Dit Statement gaf duidelijk aan dat ‘reguliere scholen het meest effectieve middel zijn om discriminatie tegen te gaan, toegankelijke gemeenschappen te creëren, een inclusieve samenleving te vormen en te garanderen dat alle kinderen onderwijs kunnen volgen’ (Unesco 1994: artikel 2.5). Deze verklaring roept alle regeringen die hem ondertekenden op ‘het principe van inclusief onderwijs over te nemen, tenzij er zwaarwegende redenen zijn om in individuele gevallen hiervan af te wijken. Dit dient uitgewerkt te worden in regelgeving en beleid’. Waar Weer Samen Naar School (WSNS) in 1990 nog spreekt van integratie, gaat dit Statement uit van inclusief onderwijs.
De Nederlandse overheid probeert vanaf 1990 leerlingen die speciale onderwijszorg nodig hebben, te integreren in het gewone reguliere onderwijs. Dit proces is gestart in 1990 met de invoering van WSNS en in 2003 versterkt door de Invoering van Leerling Gebonden Financiering (LGF). De verwachting was dat het aantal leerlingen binnen het speciaal onderwijs zou afnemen. Het CBS (juli 2008) laat zien dat zowel het leerlingenaantal op de speciale scholen als ook het aantal ‘rugzakken’ explosief blijft groeien. Deze explosieve groei is vooral waar te nemen in cluster 4 voor leerlingen met gedrag- en psychiatrische problemen. Het evaluatierapport ‘Weer Samen Naar School Welbeschouwd’ (Meijer 2004) laat zien dat er aan de versterking van de reguliere leraar nog weinig is gedaan; de adaptieve kwaliteiten van reguliere leerkrachten zijn nog onvoldoende toegenomen om voor elk kind een goed onderwijsaanbod te kunnen realiseren. ‘Het blijven bestaan van het uitstekend geoutilleerde systeem van speciale scholen kan regionale scholen stimuleren hun ‘lastige’, ‘problematische’ of ‘ingewikkelde’ leerlingen te blijven verwijzen’ (Schuman 2007:268). Vooral de gedragsproblematische leerlingen vormen een grote uitdaging voor de leraar.
Passend Onderwijs: de stand van zaken De zorgplicht die in 2011 ingevoerd dient te zijn, geeft de essentie in twee zinnen weer:
- Ieder schoolbestuur heeft de verantwoordelijkheid om aan iedere leerling die zich bij een school van dat schoolschoolbestuur aanmeldt of daar is ingeschreven, een passend onderwijszorgarrangement aan te bieden.
- Als een school een bepaald arrangement niet in huis heeft, moet het bestuur van die school in samenwerking met besturen die dit arrangement wel aan kunnen bieden, zorgen dat de leerling dat onderwijszorgarrangement aangeboden krijgt en deze gemotiveerd doorverwijzen.
De schoolbesturen zijn nu aan zet om in regionale netwerken samenwerking te bewerkstelligen. Geen inclusief traject, maar een passend traject. Soms op de eigen school, soms bij een andere school. Daarmee houden we de ‘verwijstraditie’ min of meer in stand. In veel landen heeft de invoering van inclusief onderwijs geleid tot daling van het aantal leerlingen in het SO. Nederland hoort tot de top drie van meest verwijzende landen. Zolang het speciaal onderwijsaanbod blijft bestaan, worden gelijke kansen geïnterpreteerd als gelijkheid in plaats van gelijkwaardigheid en is Passend Onderwijs gedoemd te mislukken, er is immers altijd een alternatief! Om succesvol over te gaan op meer passend onderwijs zijn drie zaken van belang:
- Een focusshift van het medische model naar het sociale model. Zolang het medisch denken, het vaststellen van een handicap, de toegang tot speciale onderwijszorg mogelijk maakt, blijft een verwijzing naar het SO een mogelijkheid om de prestaties van reguliere scholen te versterken. De uitdaging voor Passend Onderwijs lijkt te liggen in het sociale model: het ontwikkelen van competenties bij de leerlingen om effectief om te kunnen gaan met de ‘risico’s’ die een deelname aan de maatschappij met zich meebrengt. Passend Onderwijs wordt zinvoller als barrières die de schoolomgeving en het onderwijsprogramma opleveren voor alle leerlingen worden geslecht.
- Ten tweede is het verankeren van Passend Onderwijs in wetgeving essentieel. Onze overheid zou expliciet moeten maken dat de thuisnabije school dé plaats is waar elke leerling uit die buurt zijn/haar onderwijs geniet.
- Als laatste is een verandering noodzakelijk in de mindset van de leerkrachten: bij Passend Onderwijs hoort een passende mindset: iedere leerling heeft een plaats in mijn klas en mijn school.
Onze Staatssecretaris van Onderwijs, mevrouw Dijksma wil in 2009 de ‘Uitbreiding Wet Gelijke Behandeling naar basis- en voortgezet onderwijs’ in te laten gaan. Duidelijk wordt dan, dat de barrières waar de leerlingen met speciale onderwijsbehoeften nu tegenaan lopen eerder debet zijn aan de wijze waarop ons onderwijs is ingericht, dan op de beperkingen van de leerlingen zelf. Competentie, autonomie en relatie worden steeds meer benadrukt in het onderwijs (Stevens 1997), maar zolang er kinderen “speciaal” behandeld worden, ontneem je ze deze waarden.
In de kamerbrief van 4 december 2008 stelt de staatssecretaris dat er weliswaar grote ‘bestuurlijke drukte’ is rondom de invoering van Passend Onderwijs, maar dat de leraar in het primaire proces nog te weinig betrokken is. Passend Onderwijs straalt nog geen vertrouwen uit in de onderwijsprofessional op de werkvloer en betrekt hen niet actief bij de totstandkoming van de diverse veranderingen. Senge (2000) en Fullan (2001) laten duidelijk zien dat onderwijsveranderingen pas succesvol worden als men de leraren in het primaire proces centraal zet. De overheid heeft qua versterking van de leerkracht zich vooral gericht op salariëring en de lerarenbeurs. Dit draagt niet bij aan de fundamentele noodzaak om leerkrachten toe te rusten om Passend Onderwijs te gaan geven. De PABO’s dienen expliciet een wijziging door te voeren in het opleidingsaanbod om van de ‘verwijstraditie’ af te komen. Zij moeten de leerkrachten toerusten om Passend Onderwijs te kunnen geven. Zonder deze wijzigingen zal het lang duren eer Passend Onderwijs successen boekt. Maar is er dan geen alternatieve weg om Passend Onderwijs meer inclusief te maken?
Versterking van de leerkracht; de bottom-up benadering om Passend Onderwijs te realiseren? Kan er dan in de klassen pas echt wat veranderen wanneer topdown wet- en regelgeving zijn veranderd en ook onze lerarenopleidingen ‘Passend Onderwijs’ leerkrachten afleveren? Meijer stelt (2004:247) dat scholen de meeste moeite hebben met leerlingen met gedragsproblemen, zij vormen nu de grootste uitdaging voor de leraren. De houding en het verantwoordelijkheidsgevoel van de leraar zijn cruciaal voor het omgaan met verschillen in de klas. Daar ligt de kern van het probleem in het Nederlandse onderwijs: leraren zien het niet als integraal onderdeel van hun taak om leerlingen met speciale onderwijsbehoeften op te vangen: anderen zijn daar voor verantwoordelijk. Leraren moeten kunnen terugvallen op collega’s en deskundigen die de leraar assisteren bij het vinden van oplossingen. Tijd voor reflectie met elkaar, het doorbreken het principe van elke leraar een eigen klas en daar alleen verantwoordelijk voor zijn. Meijer geeft aan dat wat ‘Wat goed is voor kinderen met speciale behoeften, goed is voor alle leerlingen’! (2004:248) De opbrengsten van Passend Onderwijs kunnen veel verder gaan dan de doelgroep van leerlingen ‘met specifieke behoeften’: alle leerlingen kunnen profiteren van nieuwe benaderingen in de klas.
Meijer noemt een aantal good-practices die effectief gebleken zijn(Meijer 2004:248):
- Heterogeen groeperen voorkomt dat leerlingen met problemen zwak blijven presteren als ze tussen zwakke leerlingen zitten.
- Coöperatief leren is een goede werkvorm om cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling te stimuleren. Hier ontstaat de basis voor een systematische aanpak van gedragsproblemen: als de groep verantwoordelijk wordt voor het eigen leren, ligt hier een grote preventieve werking t.a.v. gedragsproblemen in verborgen. De leerling met gedragsproblemen wordt medeverantwoordelijk voor het leren van zijn groep.
- Voor de leerkracht is co-teaching een effectieve onderwijsvorm gebleken. Onder co-teaching worden specifieke vormen van samenwerking tussen leraar en klassenassistent, ambulant begeleider, medeleerkracht of andere deskundigen verstaan. Er wordt hierbij een situatie gecreëerd waarin leraren leren van elkaar. Dit sluit eveneens aan bij de behoefte van leraren om niet alleen verantwoordelijk te hoeven zijn voor de hele groep.
- Gebleken is dat doelgericht en planmatig onderwijs gecombineerd met hoge verwachtingen van leerlingen leiden tot betere resultaten. Hoge verwachtingen hebben van bijvoorbeeld zwakke lezers, liet in de afgelopen jaren zien dat ook deze leerlingen met grote sprongen vooruit kunnen gaan (LISBO 2004).
Ook Skidmore (2004) geeft met zijn ‘Organisatiemodel’ aan dat onderwijsleerproblemen ontstaan door tekorten in de schoolorganisatie. Expertise moet liggen in het stimuleren van actieve betrokkenheid van alle leerlingen en hun leerproces. Er moet dan aan een aantal voorwaarden worden voldaan: attitudeverandering (bereidheid en openheid), voldoende ondersteuning aan ouders en school (zowel inhoudelijk als financieel) en het appelleren aan de verantwoordelijkheid van alle leraren. Typerend is dat geen van de factoren betrekking heeft op leerling-kenmerken!
De Europese landen waar inclusief onderwijs in hoge mate wordt toegepast, spenderen relatief meer geld aan het reguliere onderwijs dan wij. Ons speciaal onderwijs kost nog altijd heel veel geld. Maar zolang er geen verschuiving van gelden plaatsvindt, wordt het speciaal onderwijs in stand gehouden en mag het basisonderwijs met een fractie van dit geld proberen Passend Onderwijs te realiseren.
Intern Begeleiders en Ambulant Begeleiders De intern begeleider (IB’er) is verantwoordelijk voor de leerlingenzorg, na- en bijscholing van het team, mede gestalte geven aan de onderwijsvisie en het, samen met de directie, uitzetten van lijnen met betrekking tot de pedagogische en didactische aanpak binnen de school. De ambulant begeleider (AB’er) stelt zich tot doel om de reguliere onderwijscontext te optimaliseren en te professionaliseren, zodat de leerlingen met een indicatie zich zo optimaal mogelijk kunnen ontwikkelen binnen het regulier onderwijs. De AB’er werkt daarvoor vraaggericht en dialooggestuurd met de professionals in de school samen. Dit betekent de aandacht verschoven wordt van leerling naar de leerkracht. Voor de AB-diensten ligt er een belangrijke taak om ontwikkelingsgericht te werken aan deskundigheidsbevordering en handelingsbekwaamheid van de leerkracht, met de focus ook op preventie, vroegtijdige onderkenning en interventie.
De Landelijke Beroepgroep voor Intern Begeleiders (LBib) en de Landelijke Beroepsgroep voor Ambulant Begeleiders (LBab) hebben hun visie op Passend Onderwijs als volgt geformuleerd:
‘Het streven naar en in stand houden van een zorgstructuur, waarbij elke leerling de zorg krijgt die hij nodig heeft om zo thuisnabij mogelijk een ononderbroken ontwikkelingsproces te kunnen doorlopen’.
In het versterken van de leerkracht op de reguliere school ligt dus een taak voor IB’ers en AB’ers. De extra uitdaging voor IB’ers en AB’ers ligt in de competenties die ze nodig hebben in hun begeleiding, gericht op de school op weg naar Passend Onderwijs. Ze zijn zich bewust van hun persoonlijke waarden en normen, hebben oog voor maatschappelijke ontwikkelingen en vernieuwingen en willen daar mede verantwoordelijk voor zijn; gericht tegen uitsluiting en discriminatie. Zij zijn degenen die met een helikopterblik ontwikkelingen van buiten de school binnen kunnen brengen in een voor de school toegankelijke manier en in een coachende rol een bijdrage kunnen leveren aan mentaliteitsveranderingen.
Ze zien vooral de mogelijkheden in de leerlingen met specifieke behoeften en blijven niet steken in een focus op de beperkingen. Ze ontwikkelen een kritische, onderzoekende en nieuwsgierige houding en kunnen feedback geven en ontvangen. Ze kunnen kritisch reflecteren op eigen handelen en op het handelen van collega’s en de organisatie. Dit vereist naast pedagogisch engagement ook morele en politieke bewustwording en sensitiviteit. Samen met de eerder aangegeven mogelijkheden die ‘wel werken in de school’ is het mogelijk het onderwijs meer Passend te maken.
Conclusie In 2009 zal de Staatssecretaris voor Onderwijs, mevrouw Dijksma een ‘go or no-go’ moment bepalen voor Passend Onderwijs. De vakbonden menen dat de leraren nog lang niet klaar zijn voor Passend Onderwijs in 2011. In de plannen voor Passend Onderwijs zou ieder aangemeld kind welkom moeten zijn op de school. Dat vereist een transformatie in het denken van de leraar. Michael Fullan gaf op 14 maart j.l tijdens de oprichting van een International Forum Onderwijspraktijk aan dat de zwakte van het Nederlandse onderwijssysteem ligt in het feit dat er te weinig uitwisseling is van kennis. Volgens hem hebben leerkrachten en scholen te weinig onderling contact met elkaar en moet hier snel verandering komen, wil het onderwijs veranderen (Trouw).
Leraren worden intern in de school begeleid door de IB’er en extern door onder andere de AB’er. Daar liggen nieuwe mogelijkheden om meer vraaggericht en dialooggestuurd met elkaar te zoeken naar mogelijkheden om leerkrachten te ondersteunen in hun uitdagingen om passend Onderwijs te realiseren!
Links LBib LBab
Download dit artikel
[PDF
196 Kb
]
|