Kennisnet Leerlingzorg Archief
Op het forum van Kennisnet Leerlingzorg beantwoorden deskundigen vragen van bezoekers. Op deze pagina veelgestelde vragen over het onderwerp: autisme/pdd-nos beantwoord door drs. Carla Visser
drs. Carla Visser
Vraag 6 t/m 10
Vraag 11 t/m 15
1. Signalering PDD-nos
Kunt u mij vertellen/uitleggen/informeren hoe ik in de groep PDD-nos kan signaleren en dan met een grote mate van nauwkeurigheid. De diagnose PDD-nos wordt gesteld door een kinderpsychiater. Veelal zullen ouders als eerste problemen ervaren, omdat met name het contact met hun kind anders is. Wordt de diagnose gesteld, dan zullen ouders naar alle waarschijnlijkheid de school informeren. In de klas maakt de verscheidenheid en ernst van de gedragskenmerken het wel of niet mogelijk PDD-nos te signaleren. Soms kan het kind zich in een vreemde omgeving redelijk aanpassen. Blijken meerdere gedragskenmerken en vooral problemen in het contact zich voor te doen die ook in voorgaande jaren reeds gezien werden, dan kan men denken aan PDD-nos.
2. Omgaan met een leerling met PDD-nos tijdens de gymles
Ik vind ik het vervelend om tijdens de gymles al mijn aandacht aan een leerling met PDD-nos te geven terwijl ik nog 12 andere kinderen heb. Hoe kan ik hier mee omgaan? reactie 1: Mijn ervaring is dat voor een iemand met PDD-NOS een gymles veel te chaotisch is, om om te gaan met alle prikkels wordt hij waarschijnlijk agressief. Misschien dat een gesprek met de ouders helpt. Zij zullen het beste advies kunnen geven over hoe je met hun kind kind omgaan. anoniem
Reactie 2: Ten eerste is het belangrijk de gymles te structureren: iedere les bestaat uit een aantal activiteiten die in vaste volgorde worden afgewerkt, zodat routines ontstaan. Het vooraf duidelijk maken van de activiteiten, wel of niet gevisualiseerd, is van belang. Een vaste plaats voor ieder kind bij de start en tussentijds verschaft hem duidelijkheid. Ten aanzien van het agressieve gedrag: concrete afspraken vooraf moeten het kind duidelijk maken wat er van hem verwacht wordt, bijvoorbeeld schoppen en slaan mag niet. Samen met het kind probeer je dit tien minuten goed te laten verlopen (in zijn nabijheid blijven). Door dit gewenste gedrag te belonen met bijvoorbeeld een sticker of het laten kiezen van een activiteit, kan stapsgewijs (tien minuten uitbreiden tot een kwartier) geprobeerd worden gedrag te veranderen. Een zelfde lijn kan daarna ingezet worden voor het 'niet stil zijn'.
3. Kenmerken PDD-nos
Wat zijn de kenmerken van PDD-nos? Problemen doen zich vaak in meerdere of mindere mate voor met betrekking tot de volgende aspecten:
Contact: -zich moeilijk kunnen inleven in de gevoelens en het gedrag van anderen en het gedrag en de reacties van anderen soms moeilijk kunnen begrijpen. Echte wederkerigheid komt niet goed tot stand. Blijvende contacten met leeftijdgenoten, het hebben van vriendjes, is vaak moeilijk. Informatieverwerking: -informatie wordt vaak fragmentarisch verwerkt; leerlingen met deze stoornis onthouden details, maar hebben vaak moeite met de grote lijnen. Bovendien weten ze niet welke informatie belangrijk is en welke niet. Denkstoornissen: -onderscheid tussen fantasie en werkelijkheid. Angst. Taal: -ouwelijk taalgebruik. Ze hebben de neiging taal letterlijk op te vatten; het begrijpen van grapjes, uitdrukkingen of cynisch taalgebruik kan een probleem zijn. Starheid, rigiditeit: -vasthouden aan eigen denkpatronen, bepaalde gewoonten, oplossingsmethoden. Obsessieve bezigheden: -er wordt relatief erg veel tijd besteed aan een bepaalde activiteit. Beperkt repertoire van (spel)activiteiten: -weinig variatie in spel -herhaling van dezelfde bezigheden Zintuiglijke overgevoeligheid: -niet aangeraakt willen worden -bang zijn voor harde geluiden Motoriek: -motorische onhandigheid -zwakke schrijfmotoriek
4. Overeenkomsten hechtingsstoornis en PDD-nos
Zijn er overeenkomsten tussen hechtingsstoornis en PDD-nos? Er zijn veel overeenkomsten tussen het gedrag van kinderen met bovengenoemde stoornissen. Problemen doen zich voor op het gebied van sociale interactie, het leggen van contacten, het vormen van hechte relaties met leeftijdgenoten, weinig gevoelsmatig reageren, te vrij gedrag naar vreemden, zich terugtrekken, claimend gedrag naar volwassenen, weinig zelfvertrouwen. De kinderen met een hechtingsstoornis hebben, evenals die met PDD-nos, een duidelijke structuur nodig en baat bij een meer neutrale houding van de volwassene/leerkracht.
5. Omgaan met agressie
Kan je een kind dwingen (leren) om zich te 'voegen', en bij agressie - lichamelijk zo vastpakken dat hij geen gevaar meer vormt voor zichzelf en zijn omgeving? Om zich te leren voegen en agressief gedrag te laten afnemen, hierbij de volgende richtlijnen:
Situatie: de omgeving veilig maken, zorgen dat deze voorspelbaar wordt om problemen te voorkomen door -structuur in ruimte: iedereen en alles heeft een vaste plaats; voor dit kind is een aparte, rustige plaats gewenst. -structuur in tijd: iedere dag verloopt in dezelfde patronen, dezelfde volgorde van vakken en activiteiten. -structuur in relatie: de leerkracht laat voorspelbaar gedrag zien: hij/zij praat rustig, legt relatief veel uit, maar met zo weinig mogelijk taal en vermijdt stemverheffing. Positief gedrag zoveel mogelijk benoemen en belonen.
Leer/werkmomenten: (zeer) korte taken in alle rust uitleggen, begeleiden en laten volgen door een beloning (fiches, stickers, activiteit die het kind graag doet). Afhankelijk van de mogelijkheden van het kind, misschien starten met drie sommen, gevolgd door een beloning. Liefst in een één-op-één situatie en in een rustige omgeving met weinig andere kinderen in de buurt, zodat de jongen niet agressief wordt. Het gebruik van een computer kan zeer effectief zijn.
Houding van de leerkracht: Lichamelijk aanraken, vastpakken, kan bij deze kinderen angst oproepen; sturen met woorden verdient de voorkeur. Bij agressie zo mogelijk afzonderen en tot rust laten komen."Flink aanpakken" kan een averechts effect hebben, het kind raakt nog meer overstuur. Ook negeren zal niet helpen. Beter is ongewenst gedrag te benoemen en af te keuren en het gewenste gedrag te noemen: Ik wil niet dat je ..., maar... Niet werken op inzicht.Ook bij fysiek grensoverschrijdend gedrag van de leerling moet voor hem duidelijk, dus voorspelbaar zijn op welke manier de leerkracht fysiek ingrijpt. N.B.1. Gebruikt hij medicijnen en zo ja, zijn deze goed afgesteld? N.B.2. Is het mogelijk/wenselijk om een deskundige van een autismeteam of een REC (Regionaal Expertise Centrum) in te schakelen? In een klassesituatie kan het erg moeilijk zijn; soms zijn er ook grenzen aan wat je als leerkracht kunt doen, maar ook aan wat een PDD-nos-leerling aankan.
|
|